- within Employment and HR topic(s)
- within Transport, International Law and Privacy topic(s)
- with readers working within the Chemicals industries
Na 104 weken ziekte eindigt de loondoorbetalingsverplichting en kan de werkgever het dienstverband opzeggen. In de praktijk gebeurt dat lang niet altijd (direct). Het gevolg: een slapend dienstverband, waarbij de werknemer geen salaris ontvangt en geen werkzaamheden verricht. Maar wat betekent dit voor de opbouw van vakantiedagen? Loopt die gewoon door of niet?
Het juridisch kader
Het Nederlandse uitgangspunt is helder: op grond van artikel 7:634 BW bouwt een werknemer alleen vakantiedagen op over periodes waarin recht op loon bestaat. Bij een slapend dienstverband ontbreekt het recht op loon, zodat volgens de letter van de wet geen verdere opbouw van vakantiedagen plaatsvindt.
Het Europese recht geeft een andere invulling aan het recht op vakantie. Op basis van artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geldt dat een werknemer zijn recht op jaarlijkse vakantie behoudt wanneer hij door ziekte geen vakantie heeft kunnen opnemen.
Het Hof heeft daarbij expliciet overwogen dat ziekte en vakantie verschillende doelen dienen:
- ziekteverlof is gericht op herstel;
- vakantie is bedoeld voor rust en ontspanning.
Dit brengt mee dat ziekte geen beperking mag vormen voor het recht op vakantie. Oftewel: zieke werknemers bouwen wél vakantiedagen op, ook na de eerste twee ziektejaren en ongeacht of nog loon wordt betaald.
Kabinet, literatuur en rechtspraak geven uiteenlopende antwoorden
Het voormalige kabinet heeft in antwoord op Kamervragen aangegeven dat de Nederlandse bepalingen over vakantieopbouw niet in strijd zijn met het Europese recht en dat de opbouw dus stopt na het einde van de loondoorbetalingsplicht.
De literatuur is verdeeld en ook in de rechtspraak zijn deels tegenstrijdige uitspraken gedaan:
- De kantonrechter Arnhem oordeelde dat de regel dat een werknemer alleen vakantie opbouwt over de periode waarin hij aanspraak heeft op loon (artikel 7:634 BW), in strijd is met het Europese recht. De rechter liet artikel 7:634 BW daarom buiten toepassing, met als gevolg dat de werknemer wél vakantiedagen opbouwde tijdens het slapend dienstverband.
- De kantonrechter Nijmegen oordeelde dat artikel 7:634 BW weliswaar in strijd is met de Europese wetgeving, maar dat de wettekst geen ruimte laat voor interpretatie en dat hier een taak voor de wetgever ligt. Oftewel: geen opbouw van vakantiedagen tijdens het slapend dienstverband.
- De kantonrechter Groningen oordeelde dat bij een slapend dienstverband geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de arbeidsongeschikte werknemer die zich nog in de wachttijd van artikel 7:629 lid 1 BW bevindt en de arbeidsongeschikte werknemer met een slapend dienstverband. Artikel 7 lid 1 van de Arbeidstijdenrichtlijn spreekt immers over behoud van loon. Bij een slapend dienstverband bestaat geen recht op loon, zodat van behoud van loon geen sprake kan zijn.
- De kantonrechter Utrecht redeneerde in dezelfde lijn: de wetgever heeft een duidelijke keuze gemaakt en zowel de Arbeidstijdenrichtlijn als het Handvest spreken van een “recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon”. Bij een slapend dienstverband bestaat geen recht op loon, zodat ook van behoud van loon geen sprake kan zijn.
- De kantonrechter Dordrecht oordeelde dat een slapend dienstverband een bijzondere omstandigheid is die afwijking rechtvaardigt, aangezien de recuperatiefunctie van vakantie na afloop van de 104 weken haar doel verliest.
Een en ander leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid voor werknemers en werkgevers door het hele land.
De prejudiciële vraag: eindelijk duidelijkheid?
Om een einde te maken aan deze onduidelijkheid heeft de kantonrechter Rotterdam in haar beschikking van 17 maart 2026 de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:
“Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen met loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?”
Wat betekent dit voor u?
Zolang de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken, blijft sprake van een onzekere rechtspositie. Indien de Hoge Raad oordeelt dat tijdens een slapend dienstverband wél vakantiedagen worden opgebouwd, kan dit leiden tot extra kosten voor werkgevers. De opgebouwde vakantiedagen zullen bij het einde van het dienstverband immers moeten worden uitbetaald of verrekend.
Wij raden werkgevers daarom aan om de arbeidsovereenkomst na afloop van de loondoorbetalingsplicht zo spoedig mogelijk te beëindigen. Daarmee voorkomt u in ieder geval dat mogelijk verdere vakantiedagen worden opgebouwd en extra kosten ontstaan.
Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en informeren u zodra de Hoge Raad zich heeft uitgesproken. Heeft u in de tussentijd vragen over een specifieke situatie? Neem dan gerust contact met ons op.
The content of this article is intended to provide a general guide to the subject matter. Specialist advice should be sought about your specific circumstances.
[View Source]